De tijd van de ‘grote gezinnen’ is voorbij. Voor jonge ouders is het blijkbaar niet meer vanzelfsprekend om kinderen op de wereld te zetten. Overal in de westerse wereld zijn de geboortecijfers laag. Het is alsof we het lastig hebben met kinderen: ze hinderen.
Vandaag willen we eerst onszelf ontplooien. We willen studeren, ontdekken, reizen, carrière maken, en voor dat alles is geen tijd meer als je kinderen hebt. Die zelfontplooiing is een opdracht die we van jongs af opgelegd krijgen. Hoe kinderen daarin passen wordt ons echter niet gezegd. Bovendien is er ook de verontrustende staat van onze wereld: het klimaat, de oorlog, overbevolking en onveiligheid. Het is geen ideale omgeving voor kinderen.
Als ouder heb je daarbij een grote verantwoordelijkheid voor je kind. Goede huisvesting, een vaste job, kinderopvang, een goede school, er komt heel wat bij kijken. Opvoeden is een ernstige zaak, en er kan wel iets mislopen. De gezondheid en de veiligheid van kinderen worden scherp in de gaten gehouden. Het is vandaag onverantwoord om kinderen alleen te voet naar school of naar de winkel te sturen. Je kind heeft misschien ook niet de perfecte gezondheid: allergieën, ADHD, autisme … het zijn extra kopzorgen.
Onze economie heeft ook graag dat je zoveel mogelijk aandacht besteedt aan je werk. Thuisblijven voor je kinderen wordt met onbegrip bekeken. Voor een gezonde sociale zekerheid moeten immers zoveel mogelijk mensen aan het werk zijn, zo wordt gezegd. Je maatschappelijke betekenis ligt in je job, niet in het aantal kinderen dat je hebt.
Het is een individualistische geest die door onze samenleving waait, en die is ongunstig voor kinderen. Een kind krijgen betekent dat je een stap achteruit zet, op vele vlakken. Het betekent dat je plaats ruimt voor een onbekend en lastig mensje. En als het ooit misloopt met je relatie – bijna één kans op twee – dan zijn de kinderen de dupe. Het is deze geest die vandaag overheerst in onze maatschappij.
Is een ander denken mogelijk? Uiteraard, er zijn vele gezinnen waar vandaag van harte plaats is voor kinderen, en waar er niet aan doemdenken gedaan wordt. Zo ongeveer moet het ook tweeduizend jaar geleden geweest zijn, bij Maria en Jozef. Zij leefden in een geest van liefde en vertrouwen, al was het toen ook een tijd van onzekerheid onder de Romeinse bezetter.
Het was blijkbaar vooral Maria die doordrongen was van die geest van vertrouwen en hoop, zo horen we zondag in het evangelie. Jozef had enige twijfels, hij aarzelde. De droom die Maria had voor hun toekomstig kind was voor haar zeer duidelijk, maar hij zag nog niet helder wat zijn bijdrage zou kunnen zijn in een liefdevolle opvoeding.
Uiteindelijk zou Jezus in het gezin van Jozef en Maria opgroeien tot een indrukwekkende persoonlijkheid. Mensen hadden de indruk dat God zelf aan zijn zijde stond. Het kon niet anders dan dat Gods geest nog voor zijn geboorte aanwezig was bij Jozef en Maria, zo schreef Matteüs het in zijn evangelie. (Mt 1, 18-24)