Goed nieuws?

God trok zijn sjaal wat hoger terwijl hij op het drukke plein naar de bushalte stapte. Hij zag hoe een grote, helverlichte lijnbus zich zonder veel schroom een weg forceerde tussen de auto’s en zich dan aan de kant zette. ‘270 – Keerbergen’, las hij. Hij twijfelde niet, stapte op en liet zich de warmte in de bus welgevallen. Hij had in de namiddag met veel belangstelling deelgenomen aan een conferentie over asiel en migratie. Verschillende sprekers kregen zijn volle waardering en goedkeuring. Hun inzet voor de vluchtelingen was hartverwarmend. Maar de debatten sloten af met het slechte nieuws dat er te weinig opvangplaatsen zijn, en dat er nauwelijks beterschap verwacht wordt.

God was in gedachten bij de vele vluchtelingen voor wie geen plaats is. Maar ondertussen hoorde hij mensen op de bus praten in het Spaans, Pools en Portugees. ‘Wat goed,’ dacht hij, ‘zij hebben hier dan toch een plaats gevonden …’ Ergens waar de baan smaller was geworden, zag hij rechts een kerktoren met een grote felverlichte staartster. ‘Prachtig, vind je niet?’, zei hij aan een Oekraïense vrouw die met hem van de bus stapte. Ze knikte bevestigend en moedigde hem aan om ter plaatse te gaan kijken. 

Zijn verbazing was groot toen hij zag dat er een kerststal vóór de poort van de kerk stond, en niet ernaast zoals gewoonlijk. ‘Ieder die hier naar de kerk gaat, moet letterlijk eerst in de stal gaan,’ stelde hij vast. Hij vond het een mooi symbool. Als mensen op zoek gaan naar God, dan hopen ze hem meestal te vinden in de kerk. Want de kerk is een mooi en heilig gebouw, vol van geschiedenis en traditie. ‘Maar hier worden ze eraan herinnerd dat God ook in een stal te vinden is,’ dacht hij. 

God keek rond in de stal. Hij kreeg het koud, de stal had geen ramen of deuren, en hij voelde zich weinig beschermd tegen de schrale wind. Hij herkende het, hij wist uit ervaring hoeveel mensen in dergelijke primitieve omstandigheden moeten wonen. Hij werd er telkens ziek van, maar vreemd genoeg voelde hij er zich steeds welkom. In de grote, verwarmde kerken had hij minder zo’n gevoel. De mensen daar gaven hem niet vaak de indruk dat ze hem nodig hadden of dat hij welkom was.

‘Waarschijnlijk is het hier anders’, overwoog hij. ‘Want wie hier na de dienst naar buiten gaat, moet eerst opnieuw in de stal alvorens naar huis te kunnen gaan. Niemand krijgt hier de kans om te vergeten dat ik zelfs in een stal te vinden ben.’ Hij deed enkele stappen achteruit om de toren met de verlichte ster beter te kunnen bekijken. Hij was onder de indruk van de grootte. Maar hij was vooral blij met de boodschap die ze uitstraalde, tot ver in de omgeving. De ster was een teken van goed nieuws, en een vraag om vrede. ‘Hier is iedereen welkom,’ voelde God, ‘zelfs de mensen voor wie alleen plaats is in een stal.’ (Lc 2, 1-20)